Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab

GBO-ARCHIEF

AANVULLENDE TEKSTEN OVER BOMANS EN MUZIEK

6 Muziekcitaten van Godfried
3 Muziekcitaten van anderen
Annemarie Oster en haar lievelings-oom
Bij het overlijden van Erna Spoorenberg

Citaten van Godfried:

01 Uit Erik of Het Klein insektenboek, hoofdstuk 11 (W I-382):

Maar Erik spoedde zich onmiddellijk naar den dirigent. Deze was juist bezig de begeleiding met een troep krekels in te studeren. Gelijk alle groote musici had hij zijn voelsprieten laten uitgroeien tot een warrige haardos, en hij stond te stampen en te springen en gooide zijn voorpootjes naar alle windstreken tegelijk uit.
"Pardon, mag ik even onderbreken?" vroeg Erik schuchter.
"Mijn God, wat is er nu weer aan de hand?" riep de dirigent, zich met vlammend oog omwendend, "ah, meneer Pinksterblom! Waarmee kan ik U van dienst zijn?"
"Erik zette zijn bezwaren eerbiedig uiteen.
"Tja," zei de dirigent, nadat hij de krekel had weggestuurd, "nederigheid is een mooi ding, maar U moet toch proberen U daar overheen te zetten, meneer Pinksterblom. Tenslotte hebt U een worm gegeven. Een bladluis brengt iemand wel eens aan, en een rups ook wel eens een enkele keer, maar een worm... Daar past maar één antwoord op: een cantate."
"Nu, ik ben zeer vereerd," zei Erik, "is de muziek van U?"
"De muziek is van mij," zei de dirigent glimlachend, "maar de tekst is van een ander. Tussen ons gezegd en gezwegen, meneer Pinksterblom: een miserabele tekst. Slecht van opzet, zwak van vorm, geen enkele verheven gedachte... En dat wordt je dan voorgelegd: wilt U daar eens muziek op maken... Goed, je doet het natuurlijk, je doet het, maar-" De kunstenaar zweeg en verzonk in gepeinzen.
"Het spijt me werkelijk... " begon Erik.
"O, het is niets," hernam de mier, met een berustenden glimlach, "later, als je dood bent, begint men het te begrijpen. Nu nog niet. Men is er nog niet rijp voor."
"Waar is men eigenlijk nog niet rijp voor?" vroeg Erik eerbiedig.
"Voor mijn muziek. Het blijft weer onder ons, meneer Pinksterblom, maar het gaat boven hun pet. Ze dóen wel alsof ze het begrijpen, maar ze begrijpen het niet." De musicus schudde het hoofd en glimlachte treurig.
"Ach, dat is naar," zei Erik, "en hebt U al veel van die onbegrijpelijke muziek gemaakt?"
"Niet veel, maar wel diepe," sprak de kunstenaar, "en het zit hem ook niet in het vele, maar in het diepe. Daar zijn bijvoorbeeld mijn drie strijdliederen, stuk voor stuk meesterstukjes, al zeg ik het zelf; daar heb je mijn melkliedje, dat gezongen moet worden bij het melken der bladluizen. En dan, niet te vergeten, mijn eierlied."
"Wat is dat voor een lied?"
"Het eierlied," legde de mier uit, "moet gezongen worden door de moeders, op het moment dat ze een ei leggen. Tenminste, dat was mijn bedoeling. Maar denkt U dat ze het doen? Geen een."
"Misschien hebben ze het te benauwd," opperde Erik.
"Onzin," sprak de mier, "daar heb ik het liedje juist voor gemaakt. Laksheid is het, gebrek aan aanvoelen. En dan mijn ander eierliedje, dat gezongen moet worden bij het opengaan der eieren."
"Door wie?" vroeg Erik verbaasd.
"Door wat er uitkomt," antwoordde de componist, "is het geen aardige gedachte, dat het eerste wat zoo'n diertje doet, als het op de wereld komt, is: een lied te zingen, een hymne aan de natuur? Maar denkt U dat ze het doen? Geen een."
"Maar ze hebben toch ook nooit van het liedje gehoord?" meende Erik.
"Uitvluchten," sprak de mier, "en het gekraak der eierschalen heb ik er nog wel zoo meesterlijk in verwerkt. Je hóórt die eieren, ik mag wel zeggen: je ziet ze voor je. Het is een machtig epos geworden, meneer, een machtig epos! De melodie begint heel traag en zwaar, en je voelt als het ware: hier hebben we met een vol ei te doen. Dan hoor je een licht gekraak, steeds luider, steeds luider... En dan komt het einde! Ja, waarmee kan ik het einde het best vergelijken?"
"Met een leeg ei?" hielp Erik.
"Dat is het," bevestigde de componist, "met een volkomen leeg ei, een wind-ei zou ik haast zeggen. Is het niet heerlijk? Maar nu moet ik weer aan den arbeid: het dameskoor wacht hiernaast om de zesde stem door te nemen. meneer Pinksterblom, tot vanavond!" En weg was de groote man.

02 Dagboeknotitie, donderdag 14 maart 1957 (W I-737):

Een mal stuk over de componist Piet Jansen in elkaar geflanst.

03 Uit The First Edition, uit "Van de hak op de tak", (W VII:364)

“Erna Spoorenberg zal misschien achttien geweest zijn, toen ik haar voor eerst begeleidde. Ik kon toen alles, en onder andere ook componeren. Zo schreef ik twee liedjes voor haar. Het ene heette "Lentelied", het andere "De Ooievaar". Melodie, tekst en pianobegeleiding, alles was van mij, want ik stond in die tijd voor niets. Samen gingen we (van Nijmegen) naar Amsterdam en daar lieten we er een plaatje van maken. Dat plaatje heb ik nog. Het is de "first edition" van Erna Spoorenberg. Men hoort een genie aan het klavier en een heldere meisjesstem. Op het eind verneemt men nog een gesmoord "bravo" van de man, die dit alles had opgenomen, gevolgd door een ontzet "smoel dicht!" van mij, want ik wilde het tot 't einde fijn houden. Deze twee uitroepen konden er niet meer af, want de techniek was toen niet zo ver gevorderd. De begeleiding heeft het onbestemd meesterlijke van iemand, die niet kan spelen en het dan toch en met verve doet "
Zie ook: Bij het Overlijden van Erna Spoorenberg

04 Uit De avonturen van Bill Clifford, hoofdstuk 3 (W III:566) :

"Zie die vleugel daar", vervolgde Clifford, naar een hoek van het vertrek kijkend, "ziet ge er iets bijzonders aan? Neen, wed ik."
"Een Bechstein, meen ik", mompelde mijnheer Topwash.
"Neen. Een tijdbom."
"Een tijdbom", herhaalde mijnheer Topwash.
"Een mijn, die een enorme explosie in de muziekwereld kan ontketenen. Een dreiging, niet slechts voor alle pianisten, doch ook voor elken componist. Indien ik er op speelde, zouden de standbeelden van Bach, Brahms en Beethoven splijten op hun voetstukken en over de straat rollen. De zerken van Chopin en Schubert zouden bersten. Indien ik het Adagio ging uitwerken, dat mij vlak voor uw komst door het hoofd speelde, zouden de werken van Mozart en Tschaikowsky als waardeloos pakpapier in de wind vaneenstuiven. Men zou Beethoven eindelijk herkennen als den knoeier, voor wien ik hem sinds jaren houd. Duizenden pianisten zouden, hun broodwinning ondermijnd ziende, zich inschepen naar overzeese gewesten, om te trachten de onwetende inlanders nog een tijdlang zand in de ogen te strooien. De heren Cortot, Brailowsky, of hoe deze zwendelaars nog meer mogen heten, zouden in de ogen van hun eigen huisgenoten door de mand vallen. Doch ik wil niet. Wat ik wil is: mijn pijp en rust."

05 Uit De avonturen van Bill Clifford, hoofdstuk 7 (W III:586):

"Mijn meester had een hartgrondige afkeer van Beethoven, Brahms, Mozart, Mendelssohn en al dergelijke mensen. "Als er op school beter op hen was gelet", placht hij te zeggen, "dan was het nooit zover gekomen." Ook moderne muziek verfoeide hij. De enige, voor wie hij achting had, was de Poolse componist Blotbilsky. Er stond een marmeren borstbeeld van hem in zijn werkkamer en er hing nog een gipsmasker boven de schoorsteenmantel. "De muziek der toekomst", placht mijn meester te zeggen, "is nog geheel toekomstmuziek. Maar wanneer zij ontdekt is, zal men onze vriend (hier klopte hij op het marmeren hoofd) als haar Columbus beschouwen."
Hij speelde echter weinig van dezen meester, en als het gebeurde, maakte het op mij de indruk alsof er een heleboel kinderen met klompen aan over het toetsenbord liepen. Des te vaker echter heb ik meneer Clifford zijn eigen fantasieën horen voordragen. Ik ben op het gebied der muziek geheel en al een leek en daarom kan ik alleen zeggen, dat meneer Clifford voor zijn improvisaties vooral ruimte nodig scheen te hebben. Niet alleen de Bechstein moest open, maar ook alle ramen en deuren en hoewel de vleugel zwaar van bouw was, bleek het instrument na meneer Cliffords "l'Amour d'un Titan" geheel kromgetrokken en ontwricht."

06 Uit Dagboek van Rottemerplaat, zaterdag 10 juli 1971 (W I-771):

Tien minuten naar Bachs Wohltemperiertes Klavier geluisterd, misschien de enige muziek die 't tegen die stille pracht om me heen uithoud. Toch weer afgezet. Het is niet goed om hieraan nog iets toe te voegen.

Citaten van anderen:

01 Aan "Fraulein Ella J." droeg Godfried in 1938 een "Frühlingslied" op. Michel van der Plas hierover in "Het Leven van de Jonge Bomans":

"In deze zelfde tijd is hij verliefd, serieus verliefd. Het meisje stamt uit een zeer gegoede Amsterdamse familie (*), waarvan verschillende van de zes dochters wel op Berkenrode op bezoek komen. Godfried maakt zijn uitverkorene schuchter het hof. Hij maakt indruk, in Amsterdam-Zuid, door zijn lange gestalte, zijn donkere bos fladderende haren, gefronste wenkbrauwen, diep doordringende ogen en een eeuwige pijp in zijn voorovergebogen hoofd. In de salon zit hij graag en vaak aan de vleugel, waar hij virtuoos op speelt, menigmaal zichzelf begeleidend bij romantische liederen: Schubert, Wolf, Schumann"

(*) Jansen-Roothaan, red.

02 De componist Wouter Paap ( 5 vB - 68 nB, 1908-1981 nChr, in 1946 oprichter Mens en Melodie, schrijver van meer dan 20 boeken over muziek) verteld in 1972 (gedenkboek "Herinneringen aan Godfried Bomans") het volgende over een ontmoeting met de componist Jan Mul, de leerling van Hendrik Andriessen. De plaats: Overveen, waar Mul organist was. De tijd: een zondag in de winter van 1943.

"Terwijl we aan de piano gezeten in een gesprek gewikkeld raakten over wat men nieuwe wegen in de kerkmuziek zou kunnen noemen, doken plotseling twee figuren achter ons op, die ongemerkt de kamer waren binnengekomen. Juist op het moment waarop Jan Mul een filippica begon af te steken tegen de gezwollen, romantische kerkmuziekstijl, die hem een gruwel was, klonk achter ons een plechtige stem: "Heren, sta ons toe dit punt van uw betoog met een klinkend voorbeeld te illustreren."
Een lange, wat nadenkende jongeman zette zich aan het klavier, een kleine pittige stelde zich terzijde op, en daar werd al improviserend een galmend tweestemmig Te Deum opgebouwd als men het een 25 jaar geleden in een paterskerk niet guller, krulliger en uitbundiger had kunnen horen. Het waren Godfried Bomans en Harry Preenen die deze kostelijke parodie ten beste gaven."

03 Michel van der Plas in zijn "Het Leven van de Jonge Bomans" over de enige gepubliceerde Bomanscompositie "Salve, Regina", verschenen in het studentenblad De Dijk in oktober 1934:

"In deze zelfde jaargang verschijnt van zijn hand ook een compositie: een Salve Regina. De waarde hiervan kan bepaald niet hoog worden aangeslagen. Men kan zich niet helemaal aan de indruk onttrekken dat Godfried met een dergelijk stuk, dat zijn veelzijdigheid moet bewijzen, wil epateren. Hij zal zich later nog een paar maal aan het componeren wijden."

Luister naar het Salve, Regina uitgevoerd door broeder Westerhuis (zang) en broeder Levelt (piano) om tot een wellicht wat waardevoller oordeel te komen.

DIVERSEN

Annemarie Oster haalt herinneringen op aan haar “lievelingsoom”

Op vrijdag 14 december 2002 was Annemarie Oster te gast in ‘De Literaire Hemel”, een maandelijkse culturele bijeenkomst in café De Amer te Amen (Drenthe). Voor wie de plaats Amen, die letterlijk “het einde” is, niet kent: 4 kilometer van Grolloo, zetel van de zestiger-jaren-bluesband Cuby and the Blizzards. Inderdaad, Harry Muskee (Cuby himself) en enige bandleden zaten pontificaal in de zaal, tezamen overigens met drie waarnemers van het Godfried Bomans Genootschap.

U kent Annemarie ongetwijfeld als dochter van het bekende acteurs-echtpaar Guus Oster en Ank van de Moer, als actrice en comediènne (Hadimassa), zangeres (Bomans schreef “in drie minuten, een gemakzuchtig stukje” de hoestekst van haar enige LP) en de laatste jaren vooral als schrijfster. Ze heeft een column in De Volkskrant, werkt op dit moment aan een serie in HP/De Tijd waarin ze “allerlei mannen ontmoet” en publiceerde een aantal boeken, waarvan Een moeder van niks en Brieven naar boven de bekendste zijn. In deze laatste bundel uit 1992, gevuld met denkbeeldige brieven aan dierbare overledenen ook een brief aan Godfried Bomans. Het gesprek spitste zich op deze brief toe waarbij eerst door gesprekspartner Annette Timmer uitvoerig werd stilgestaan bij Godfrieds overlijden nu bijna 30 jaar geleden.

Na het voorlezen van herinneringen aan Grolloo (haar grootouders bewoonden enige tijd een “hacienda” in dit dorp, waar ze als klein kind ging logeren (nee, ze was er dit keer niet wezen kijken, ze kon het huis nooit vinden omdat ze het adres niet wist. De zaal was hulpvaardig: het betreft huize “De Moere” aan het Oostereind) kwam het gesprek snel op Bomans.

Annemarie had hem leren kennen omdat haar vriendin Ineke (achternaam werd niet genoemd, maar dit is de dame die haar verhaal vertelde in een tv-uitzending op 19 december 2002) “iets met Bomans had”. In die tijd moest je “linkser zijn dan Den Uyl” wilde je meetellen, en toen ze Ineke en Godfried in een café trof zaten Gerard Cox en zij dan ook vreselijk “links te misprijzen”. Nadat ze van Ineke te horen kreeg dat Bomans haar zo'n vervelende meid vond maakte ze dit de volgende avond goed door “zeer liefjes” te doen, en een vriendschap was geboren. Lekker makkelijk, volgens Oster: ze was de vriendin ván, hij wilde niks met haar en (in zijn geval belangrijker) zij wilde niks met hem, zodat ze beiden van de situatie konden genieten. Hij werd haar “lievelingsoom”.

Ze beschreef Bomans als “een lieve poseur” die niemand kende. Een verstrooide professor op maat 48, wiens houding niet “gecalculeerd” was. Zeer vrijgevig ook: in cafés betaalde hij voor iedereen onder de toevoeging: “Ik ben onmetelijk rijk”. Op haar verjaardagskalender noteerde hij zijn verjaardag, met een maand daarvoor: “Buikriem aansnoeren. Godfried binnenkort jarig.”

Uit eerdergenoemde brief las ze iets voor over zijn zogenaamde “rokkenjagerij”: “Die rokken joegen jóu eerder de stuipen op het lijf: “Stond er weer zo’n theemuts in de deuropening”. Ik zie je beteuterde, extra schele blik nog voor me, alsof je op je neus keek. Wat was dat neusje klein.. An der Nase eines Mannes...”

En zo staat er nog meer heerlijks in dit boekje (kopen dus, Uitgeverij De Arbeiderspers, isbn 90 295 3368 4) zoals deze, ook over de vrouwelijke bewonderaars: “Arme schat, je kon geen nee zeggen. Zoals een snoeplustig kind dat de lekkerste taartjes door zijn hoofd laat spoken, geen weerstand kan bieden aan versnaperingen van lager allooi, durfde jij het droge kaakje, de te gevulde koek die je werd aangeboden, ja opgedrongen, niet te weigeren.”

Annemarie Oster vindt dat alle personen in haar boek, dus ook Bomans, “de hemel verdienen”, ze springt voor ze in de bres. Hoewel ze eigenlijk nooit meer iets van hem leest denkt ze met grote vertedering aan hem terug. Wat haar het meeste is bijgebleven: de volledige overgave waarmee hij naar muziek (Chopin, Schubert) kon luisteren. Alles viel dan van hem af...

Na afloop van de boeiende en gedenkwaardige herinneringen van iemand die Bomans op een wel zeer persoonlijke wijze heeft meegemaakt, haastten we ons naar mevrouw Oster en vroegen haar hoe ze dacht over Godfrieds plotselinge come-back. Ze gaf aan hierdoor zeer verrast te zijn, en dat verbaasde ons weer. Want waarom zou iemand die in de hemel thuishoort niet net zo thuis kunnen zijn bij ons op aarde?

HW.
Voetnoot: In voornoemde brief spreekt zij over “de enkele keer dat je (GB) mijn vader hebt ontmoet”, terwijl uit het stukje van Guus Oster in het herdenkingsboek “Herinneringen aan Godfried Bomans” uit 1972 eerder sprake lijkt van een regelmatig contact. Bij navraag verontschuldigde Annemarie O. zich hiervoor met de opmerking: “Heb ik dat werkelijk geschreven? Ach, ik zet de werkelijkheid wel eens vaker naar mijn hand”. Laten we hopen dat dit niet slaat op de overige in dit verslag weergegeven feiten..

(Eerder gepubliceerd in de Bomanskrant, zie Contact)

Bij het overlijden van ERNA SPOORENBERG

1925 - 2004

In september 1958 verscheen het boekje “Daar sta je dan...” waarin violist Theo Olof op ironische wijze commentaar gaf op zijn rol in de muziekwereld. Het was zo'n groot succes dat er in dat jaar alleen al 30.000 exemplaren over de toonbank gingen. Uitgeverij Bert Bakker ging naarstig op zoek naar andere bekende Klassieke Nederlanders, hetgeen resulteerde in “Daar zit je dan...” van pianist, componist en psychiater Hans Henkemans in 1961 en “Daar lig je dan...” van sopraan Erna Spoorenberg uit 1962. Hoewel beide boekjes de verkoopsuccessen van Olof niet konden evenaren, was het relaas van Spoorenberg zeer leesbaar, dit zowel door de luchtige toon van de schrijfster als door de verhalen rond haar glanzende carrière. Bomans schreef erover in zijn “The First Edition” (1963): “Kort geleden zag ik in een kiosk een boekje staan, geschreven door een vrouw en getiteld: Daar lig je dan. Zulke veelbelovende titels laat ik nooit liggen, te meer daar de man het mij met een troebel knipoogje overhandigde en met het andere oog een passerende agent nauwlettend volgde. Tot mijn verrassing kwam ik in de tekst herhaaldelijk mijn naam tegen en toen ik hierna de kaft bekeek, bleek het boekje geschreven te zijn door Erna Spoorenberg. Een totaal in mijn herinnering weggezonken periode doemde weer op uit de mist van het verleden: mijn Nijmeegse studententijd”.

Waarna Godfried niet nalaat te verhalen over de grote schare bewonderaars die haar omringden, en natuurlijk over “haar eerste opname”: “ Zij zal misschien achttien geweest zijn, toen ik haar voor het eerst begeleidde. Ik kon toen alles, en onder andere ook componeren Zo schreef ik twee liedjes voor haar. Het ene heette Lentelied, het andere Ooievaar. Melodie, tekst en piano-begeleiding, alles was van mij, want ik stond in die tijd voor niets. Samen gingen we naar Amsterdam en lieten we er een plaatje van maken. (...) Men hoort een genie aan het klavier en een heldere meisjesstem. Op het eind verneemt men nog een gesmoord “bravo” van de man, die dit alles had opgenomen, gevolgd door een ontzet “smoel dicht” van mij, want ik wilde het tot ‘t einde fijn houden. Deze twee uitroepen konden er niet meer af, want de techniek was toen niet zo vergevorderd. De begeleiding heeft het onbestemd meesterlijke van iemand, die niet kan spelen en het dan toch met verve doet.”

Men doet er goed aan, bij Bomans niet alles letterlijk te geloven, al moet dit ook weer niet in het tegendeel omslaan. Zo is het verhaal van zijn compositorische arbeid lange tijd beschouwd als verzinsel, en het zou tot 1994 duren voordat de nijvere broeders van de Bomans Orde voor het eerst in het blad “Godfried” van het Godfried Bomans Genootschap enige vermoedens in die richting uitten (“De Bomans-Variaties”) om enige jaren later eindelijk een aantal van zijn composities te reconstrueren (verschenen bij het GBG als “Werken - de muziekstukken). Andere feiten lijken minder waarheidsgetrouw.

Het jaar waarin Erna 18 werd was 1943. Het “Lentelied” verschijnt voor het eerst in manuscript onder de titel “Lentegedicht” gedateerd 22 april 1945, dus toen was Erna net 20 geworden (Werken III - 819). “De Ooievaar” daarentegen stamt uit circa 1939, zodat het speciaal voor Erna schrijven een fabeltje lijkt. Ook Spoorenberg zelf betwijfeld dit. In een interview ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag in de NRC merkt ze op: “Volgens mij heeft hij die liedjes niet uitsluitend voor mij gemaakt en dat er aan het eind van de opname nog iemand “bravo” riep klopt ook niet.” U kunt dit overigens zelf constateren, daar beide opnamen in 2000 zijn verschenen op de dubbel-cd “Erna Spoorenberg - Legendary Voices”, Decca 466 985-2.

Het verschijnen van deze cd maakte overigens een eind aan een hevige controverse. Van het “Lentelied” werd slechts een met akkoorden geannoteerde tekstversie plus een fragment met een paar uitgeschreven maten teruggevonden. Op de cd “De Godfried Bomans Orde” van de Stichting Componisten van Overbodige Muziek, opgenomen op 23 januari 87 nB (23 januari 2000 n.Chr.) is te horen hoe vier componisten de compositie trachten te voltooien, dit met wisselend succes (COM Records CD 18).

De loopbaan van Erna Spoorenberg zou hierna pas goed op gang komen. In 1948 debuteerde ze in Mozarts “Exsultate, jubilate” voor de Nederlandse radio, en ze werd na een auditie bij de beroemde dirigent Karl Böhm al op haar 24ste een gevierd sopraan bij de Weense Staatsopera. Met haar lichte en vooral zeer hoge coloratuursopraan kon ze met gemak de door velen gevreesde aria van De Koningin van de Nacht aan uit Mozarts “Die Zauberflöte”. Spoorenberg in 2000: “Wat was ik daar aan het kirren, wat zong ik die coloraturen met een gemak! ik zong “Lucia di Lammermoor”, “Lakmé”, Gilda in “Rigoletto”. De Koningin van de Nacht tetterde ik er zó uit, haarscherp, loepzuiver. Mijn lerares liet daarvan een plaatje maken, toen ik 15 was.” Waarmee overigens ook Bomans claim, dat hij haar eerste opname gerealiseerd zou hebben terloops in de mist verdwijnt.

Erna Spoorenberg trad op in de titelrol van “La Traviata” in het Moskouse Bolsjoi-theater, werkte mee aan de opnamen van Mahlers “Achtste Symfonie onder leiding van Leonard Bernstein, gaf Prom-concerten met Sir Malcolm Sargent in de Royal Albert Hall, zong van 1955 tot 1971 in de jaarlijkse Mattheus Passion met het Concertgebouworkest van Eduard van Beinum, en gaf liedrecitals in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en Rusland (”Ik was een levendig type, ik had behoefte aan afwisseling”).

Tijdens het schrijven van dit stukje draai ik de Decca-cd, en ik geniet van het ene hoogtepunt naar het volgende. Ik geniet vooral van haar zuivere intonatie, het vermogen om de toonhoogten exact te treffen (toegeschreven aan haar muzikale start als violiste). En toch zal ze me altijd het liefst blijven op een krakend 78-toerenplaatje met een nog ongevormde jongemeisjesstem, of, zoals Godfried schreef: “Die stem van Erna, och, die is allerliefst, omdat er nog alles mee gebeuren moest. Het is de stem van twee vlechtjes met een mond ertussen, maar wie goed luistert, die hoort wat het zou kunnen worden.”

Erna Spoorenberg, forever young.

Eerder gepubliceerd in de Bomanskrant (zie Contact) op 19-03-2004.

Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab