Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab

DE TERUGKEER VAN BILL CLIFFORD

In 1964 vond de opening plaats van de Technische Hogeschool Twente. Tijdens de feestelijkheden volgend op de officiële opening door HM koningin Juliana vonden op maandagavond 5 oktober twee voorstellingen plaats van de in opdracht geschreven opera Bill Clifford. Libretto van Bomans, muziek van Jan Mul, uitvoering door operagezelschap Forum o.l.v. Helmuth Wünnenberg en onder regie van Paul Pella. De rolverdeling: Mia Kroes - weduwe, Gerda Averink - secretaresse, Anton Huysman - detective Bill Clifford, Anton Eldering - inspecteur, Johan van Haagen - makelaar Grobbelvink, acht koorleden - agenten. Décors van Gé Madern. Opening van de avond door burgemeester Thomassen van Hengelo, sluiting door burgemeester Von Fisenne van Enschede.

Het publiek reageerde zeer enthousiast op de opera, en de zangers ontvingen een staande ovatie. Wat resteert zijn enige krantekritieken die uiteenlopen van "een ongekend geestloos product, bepaald geen nieuwe perspectieven voor een eigen Nederlandse operacultuur" tot "het werk bevat zoveel muzikale spiritualiteit, gevat in rake ritmische, harmonische trouvailles, dat het zonder meer tot de beste operawerken behoort, die ooit in ons land geschreven zijn".

En wat gebeurde er verder? Niets. Tot volgelingen van de GBO, na lang zoeken, eindelijk de partituur terugvonden tussen de manuscripten van Jan Mul in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Op 19 oktober 2001 lezen we daarover de eerste enthousiaste berichten in de pers.
Het Godfried Bomans Genootschap besloot in 2002 haar leden te verblijden met een eindejaars-geschenk. Het werd het boekje Bill Clifford, komische opera in twee bedrijven (275 exemplaren, niet in de handel) met daarin het door leden van de GBO verzorgde libretto. Het is te verkrijgen door ¤ 7,50 over te maken op girorekening 135906 t.n.v. J. Henry te Voorhout o.v.v. "Clifford" (vergeet niet uw adres te vermelden).
Deze uitgave zorgde voor een nieuwe golf "opera van Bomans teruggevonden"-berichten (AD, Volkskrant, januari 2003) zodat we met recht mogen stellen dat Bill tweemaal tot ons is wedergekeerd.
Op 12 april 2003 (90 nB) tenslotte werd voor het eerst in 39 jaar Clifford-muziek ten gehore gebracht. Broeders van de Orde voerden met verve de aria: "Hoe heerlijk is het, Bill te heten" uit op een bijeenkomst van het Genootschap te Haarlem.

HET LIBRETTO

De partituur van de Bill Clifford bestaat uit 290 vellen in "muziekpapier-formaat". In het handschrift van Jan Mul lezen wij de volgende begeleidende tekst:

"Personen:

Hertogin - sopraan
Secretaresse van Bill Clifford - mezzo-sopraan
Bill Clifford - bariton
Grobbelvink - tenor
Inspecteur - bas

Koor van agenten - 4 tenoren en 4 bassen (waaronder de Inspecteur)

Orkestbezetting:

2 fluiten (piccolo's)
2 hobo's
2 clarinetten (bes)
2 fagotten
3 hoorns (in F)
2 trompetten
2 trombones
pauken
2 slagwerkers (kleine trom, grote trom, roertrom, bekkens, bekken, tamboerijn, triangel, tamtam)
Strijkorkest”.

Dit strijkorkestbestaat uit eerste en tweede violen, altviolen, celli en contabassen.

BILL CLIFFORD

Opera in twee bedrijven

libretto Godfried Bomans
muziek Jan Mul

----------------------------------------------------
Personen:

Weduwe - sopraan
Secretaresse van Bill Clifford - mezzo sopraan
Grobbelvink (makelaar) - tenor
Bill Cifford - bariton
Inspecteur (een van de agenten) - bas
Acht agenten - vier tenoren en vier bassen

-------------------------------------------------------

Eerste Bedrijf

(Acht agenten, in een dubbele rij, zo aaneengesloten, dat de daarachter in een leunstoel zittende Bill Clifford niet te zien is.
Zij zingen stram in de houding. De voorste, solitair staande agent (inspecteur), zingt eveneens met zijn gezicht naar de zaal en blaast af en toe op een politiefluitje)

Agenten:

Wij zijn acht agenten
wij weten praktisch van niks,
wij denken hoogstens in centen
maar Bill denkt voor een riks.
Zeldzaam onbenullig,
niet te geloven zo stom,
een aanfluiting voor het gezag,
en toch vol goede wil.

Wij willen wel, wij willen wel,
maar wat wil je, als je niet kan,
een helm helpt niet veel,
als er niks onder zit,
in plaats van een hersenpan.

Als je hersens wilt zien,
als je hersens wilt zien,

Inspecteur:

dan moet je hier niet wezen,
dan moet je hier waarachtig niet zijn.

Agenten:

Want we hebben ze niet,
want we hebben ze niet,
ja, we hebben ze wel,
maar te klein.

't Is beroerd, maar 't is niet anders,
't Is ellendig, maar wat zal je er aan doen,
't Is waarachtig al mooi, dat we 't inzien
meer wordt er van ons niet verwacht.
En wat dondert het ook
wat dondert het ook
er wordt voor ons gedacht
er wordt voor ons door Bill gedacht.

(Laatste fluitje. Een aantal stramme exercities, waardoor Bill Clifford, een pijp rokend in een leunstoel, zichtbaar wordt)

Hou je vast aan je stoel,
vrienden, nu opgepast,
hou je vast, hou je vast,
dit is de grote Bill,
hou je vast, hou je vast,
hij doet wat hij wil,
opgepast, hou je vast,
er is wat groots op til.

(Bill Clifford staat op)

Blij marcheren wij henen,
op onze zere benen,
wij zijn nu niet meer nodig,
wij zijn volmaakt overbodig.

(Bill Clifford neemt staande zijn laatste slok)

Dit is de ware wijn,
zodat wij nergens zijn,
hij drinkt het uit zijn kelk,
maar melk is goed voor elk.

(Agenten af. Bill Clifford loopt op en neer en roffelt zich van tijd tot tijd op de borst)

Heerlijk is het om Bill te heten,
en zich toch het brein te weten.
Van de stumperds om zich heen.
Zoals ik is er geen een.

Koel, doortastend en vernuftig,
toch van levenswijze luchtig
Nimmer zwichtend voor de vrouwen
toch haar stut en haar vertrouwen.

Bij de meisjes hoog in tel
toch vrijwillig vrijgezel.
Maar het wonder van mijn leven
is dat ik, is dat ik,
eenvoudig ben gebleven.

Inspecteur:

Allemachtig, wat een longen!
Heer, zijt gij uitgezongen?

Bill:

Doe dicht die deur, doe dicht die deur,
en treedt binnen, inspecteur.
Het staat op Uw gezicht geschreven:
er is een moord bedreven.

Inspecteur:

Hij weet ‘t weer,
hij weet ‘t weer,
ja, zo gaat ‘t
hoe bestaat ‘t.
Alles krijgt hij uit ons los,
en wij zijn weer de klos.

Bill:

Houdt op met zinloos krijten,
en vertel mij snel de feiten,
kom sta daar niet te zeuren.

Inspecteur:

Moet het op rijm gebeuren?
In rijmen ben ik niet zeer sterk
en ‘t is voor Bomans ook zo'n werk.

Bill:

Ja, vrienden, niet deze tonen, maar laten wij gewoon gaan praten en wat gezelliger. Breng mij vooreerst het lijk, want zonder lijk heb ik geen houvast. En roep ook mijn secretaresse. Want zonder haar heb ik geen houvast.

Inspecteur:

Ik breng ze alletwee.

(Inspecteur af)

Bill:

(alleen)

Nu gaat het spel beginnen.

(De agenten brengen het lijk onder muziek binnen, middendeur. Als zij het neergelegd hebben komt van opzij de secretaresse op)

Secretaresse:

Wat heb ik gehoord,
Is er iemand vermoord,
wat heb ik vernomen,
is er weer, is er weer
een lijk binnengekomen?



Inspecteur:

Spaar U de moeite, juffrouw. Het hoeft niet meer op rijm.

Secretaresse:

Laat alles maar over aan Bill. Hij is enorm. Hij is geweldig.

(Allen treden achteruit en opzij)

Bill:

(treedt naderbij)

Hij draagt een ring. Dan moet er dus een weduwe zijn.

Secretaresse:

Hij is enorm. Hij is geweldig.

Bill:

Waar is de weduwe?

Agenten:

De weduwe, de weduwe, waar is de weduwe?

Weduwe:

(treedt binnen)

Mijne heren, tot Uw dienst!

Bill:

Nu reeds in’t zwart gestoken? Dat is deksels gauw, mevrouw.

Inspecteur:

Dat is verdacht.

Weduwe:

Zwart staat mij goed. Ik draag het al vijftien jaren.

Bill:

Wat deksels! Is dit Uw man dan niet?

Weduwe:

Die heb ik nooit gezien.

Lijk - Grobbelvink:

(liggend)

En bovendien ben ik niet dood.

(Hij staat op en zingt met de Weduwe:)

Hier is een abuis in het spel, wij zijn niet verdacht en niet dood. Wat Bill van ons wil, dat weten wij niet, wij wachten maar af wat hij zegt.

Bill:

Hier begrijp ik niets meer van.

Secretaresse:

Als Bill ‘t niet begrijpt, hoe kunnen wij, eenvoudige stervelingen, dit nog volgen?

Grobbelvink:

‘t Is zeer eenvoudig, juffrouw. Ik zit in grote moeilijkheden. Dus spoedde ik mij naar de grote Bill Clifford en ben in zijn wachtkamer in slaap gevallen. Door e macht der gewoonte hebben die agenten me voor dood aangezien en hierheen gebracht. Maar ik ben niet dood. Ik leef. Kijk, ik beweeg armen en benen. Ik ben ook in staat U te kussen. Wilt ge nog sterker bewijzen? Ik ben tot alles bereid.

Bill:

Genoeg! Bewijzen doe ik alleen. En gij, mevrouw, hoe zijt gij hier gekomen?

Weduwe:

Ook ik zit in grote moeilijkheden. Dus spoedde ik mij naar de grote Bill Clifford. En ben ik in zijn wachtkamer in slaap gevallen. Plots hoorde ik de kreet: De weduwe, de weduwe, waar is de weduwe! Ik snelde naar binnen en zie, hier ben ik.

Bill:

Gij bevindt U beiden dus in moeilijkheden?

Weduwe en Grobbelvink:

Ja stellig en gewis, wij zitten in de knoop.

Secretaresse:

Nergens kunt ge beter zijn dan hier. Laat alles maar over aan Bill. Hij is enorm. Hij is geweldig.
Inspecteur:

Wij tellen niet zo zeer, maar Bill telt des te meer.

Agenten:

Wij tellen niet zo zeer.

Secretaresse en Inspecteur:

Hij is enorm, hij is geweldig.

Bill:

Thans wil ik met de dame alleen zijn. Gij kunt allen gaan. U, meneer, spreek ik hierna. Gij wordt door mijn secretaresse gehaald. En nu, mijn heren, verdwijn!

(Allen gaan af, terwijl Bill Clifford en de Weduwe naast elkaar op een sofa plaats nemen. Alleen de Secretaresse verschijnt nog een ogenblik voor het raam en vraagt:)

Zal ik er niet bij blijven?

Bill:

Neen, goede vrouw, ik kan het alleen wel af.

Secretaresse:

Van alle gevaren, die ge getrotseerd hebt, is dit de grootste.

Weduwe:

Maar ook de aangenaamste.

Secretaresse:

Wees op Uw hoede Bill.

Bill:

Ik ben niet bang.

(Secretaresse af)

Mevrouw, gij kunt op mij vertrouwen, spreek U volledig uit, gooi alle remmen los.

Weduwe:

(leunt met haar hoofd op zijn schouder)

Gij weet niet, wat ge zegt.

Bill:

Ha, ha, laat mij niet lachen.

Weduwe:

Lach niet te vlug. ik kom hier niet alleen als Uw cliënt, ik kom hier ook als vrouw.

Secretaresse:

(loopt met een map snel de kamer door)

Wees op Uw hoede Bill.

(af)

Bill:

Goed. Gij zijt hier als cliënt, gij zijt hier ook als vrouw. In welk van beide functies wenst gij het eerst te spreken?

Weduwe:

Als vrouw.

Bill:

Als vrouw. Ha, ha. Zo spreek dan eerst als vrouw.

Secretaresse:

(loopt weer snel met een map de kamer door)

Wees op Uw hoede Bill.

(af)

Weduwe:

Als vrouw bemin ik U.

(slaat haar armen om hem heen)

Bill:

(blijft stokstijf zitten)

Dat dacht ik al.


Weduwe:

Niets is U verborgen.

Bill:

Niets.

Weduwe:

Ik heb U lief.

Bill:

Het oude lied.

Weduwe:

Gij zijt de man van mijn dromen.

Bill:

Wordt wakker dan.

Secretaresse:

(haalt uit het bureau enige paparassen en gaat af, neuriënd)

Word wakker, word wakker, word wakker.

Bill:

Komaan, dit hebben we gehad. En spreek nu als cliënt.

Weduwe:

Het spookt op mijn kasteel.

Bill:

Wat zegt ge daar?

Weduwe:

Het spookt. Geesten, schimmen, kreunende geluiden en midden in de nacht een gil.

Bill:

Ga door. Dit interesseert mij zeer.



Weduwe:

Gejammer en gekerm. En als de scheem’ring valt, dan komen er gedaanten, in ‘t wit gehuld en glijden door de kamers. Oh, ‘t is verschrikkelijk, ik doe geen oog meer dicht.

(loopt met de handen voor de ogen naar een hoek van de kamer)

Bill:

Arme stumperd, zielig vrouwtje, foei, wat snikkend staat gij daar.

Weduwe:

Zoudt gij mij dan niet eens helpen, gij zijt toch van zessen klaar.

Bill:

Wel en gewis. Dit is een kolfje naar mijn hand. Wat wilt ge, dat ik doe?

Weduwe:

Bij mij logeren.

Bill:

(raadpleegt zijn agenda)

Dat kan, dat kan, waarom zou dat niet kunnen. Zet dus het bed maar klaar.

Weduwe:

(vliegt op hem af met een omhelzing)

Dank, dank, o nobele borst. Gebruikt gij thee bij Uw ontbijt?

Bill:

(loopt naar de deur)

Puntje suiker, wolkje melk. De volgende!

Weduwe:

(afgaande)

Dank, dank!

Bill:

(werkt haar de deur uit)

Het is de moeite niet, ieder ander had het ook gedaan. De volgende!

(De twee vrouwen passeren elkaar hautain met opgeheven hoofd)

Secretaresse:

Hier is de volgende. Meneer Grobbelvink, makelaar in Enschelo. Heb ik ‘t zo goed gezegd?

Grobbelvink:

Voortreffelijk, mijn kind. Én vrijgezel. Ha, ha!

(knijpt in haar wang. Secretaresse af)

Grobbelvink:

Neemt U mij niet kwalijk, dat ik mij niet eerder aan U heb voorsgesteld. Ik werd als lijk hier binnengedragen, een wat ongewone situatie, ha, ha, en dan vergeet men de gebruikelijke omgangsvormen. Grobbelvink, makelaar in Enschelo. Een aardig vrouwtje, die secretaresse van U. Ook ongetrouwd, neem ik aan?

(loopt even handenwrijvend in het rond)

Ha, ha! Een aardige uitvinding, het leven, meneer Clifford. Nu merk ik pas goed, dat ik niet dood ben. Ha, ha.

Bill:

En de reden van Uw komst? Mijn tijd is beperkt.

Grobbelvink:

(gaat zitten)

Het belang van de gemeente staat op het spel. Worden wij niet beluisterd?

Bill:

De muren zijn dik en ik zwijg als het graf.

Grobbelvink:

Welnu, dit is de zaak. De gemeente Enschelo wil het kasteel van de weduwe kopen. Tot elke prijs.

Bill:

Tot elke prijs?

Grobbelvink:

Ja, maar hoe lager hoe beter.
Bill:

Wat vraagt zij?

Grobbelvink:

Drie ton.

Bill:

En wat biedt U?

Grobbelvink:

Eén ton.

Bill:

Dat is dan twee te weinig.

Grobbelvink:

Veel heb ik van Uw machtig brein gehoord, nu maak ik het persoonlijk mee.

Bill:

Ga voort, vriend, dit is nog niets.

Grobbelvink:

Om nu de prijs te drukken heeft Enschelo wat spoken aangetrokken.

Bill:

Aha! Aha! Ik dacht het reeds, ik had al een vermoeden. Wie zijn die spoken?

Grobbelvink:

Louter agenten in vaste dienst en nog wat ambtenaren met neiging tot ballet.

Bill:

Ik dacht het reeds, ik had al een vermoeden. Men hoeft die nauwelijks te verkleden om een mens de stuipen op het lijf te jagen.

Grobbelvink:

Toch hebben we dit gedaan. Met witte lakens. De vrouw doet geen oog meer dicht. Het is hard, maar het belang van de gemeenschap gaat voor. We spoken door tot een ton.


Bill:

En dan?

Grobbelvink:

Dan slaat Enschelo toe. We doen een bod. Ze zal zwichten.

Bill:

En dan?

Grobbelvink:

Dan komt daar de technische Hogeschool. Ha, ha. ‘t Kasteel is nog in goede staat, solide gefundeerd, toiletten met volledige waterspoeling, spouwmuren en zes hectaren grond. Ha, ha.

Bill:

Gij zijt een olijke schuimspaan.

Grobbelvink:

Zij is bij U geweest en gij zult daar logeren. Werk met ons mee.

Bill:

Het honorarium?

Grobbelvink:

Een ere-doctoraat.

Bill:

Ik zal er over denken. Gij kunt nu gaan.

Grobbelvink:

Gegroet! Wij rekenen op U. Ha, ha!

(af. Bill staat in het midden van het toneel, aan inwendige tweestrijd ten prooi)

Bill:

Een vreselijke vraag: ben ik bereid mijn eer te geven voor een ere-doctoraat?

Weduwe:

(voor het rechter raam)
Geld heb ik niet, in schoonheid ben ik wèl bedeeld. Ik zal in natura ruim betalen.

Secretaresse:

(voor het midden raam)

Geslepen slang! Doortrapte tragedienne!

Grobbelvink:

(voor het linker raam)

Een ere-doctoraat!

(Zij komen alle vier deze tekst zingend door raam en deur naar voren)

Bill:

Genoeg! Agenten, maak ruim baan!

Agenten:

Achteruit! Achteruit! Achteruit!

Weduwe, Secretaresse, Grobbelvink:

Uit is het eerste bedrijf. Het tweede bedrijf gaat beginnen.


Tweede Bedrijf

(Spookachtig interieur. Half licht. Weduwe komt op)

Weduwe:

Zelden werd een man zó door een vrouw bemind. Ik poets zijn schoenen en kook de fijnste hapjes. Zijn bed maak ik persoonlijk op en haal het ‘s ochtends af, met tranen in de ogen. Zijn sokken houd ik vast in’t oog, zijn scheerkwast is geen ogenblik uit mijn gedachten. Maar och, waartoe die zorg? Niets heeft hij in de gaten en dat ik als een mot verteer in de gloed van mijn eigen gedachten ontgaat zijn arendsblik. Toch zou ik dit alles verdragen, als dat wijf er niet was. waar Bill vertoeft, daar is zij. Ze zit mee aan tafel en slaapt in de kamer ernaast. werd ooit de gastvrijheid zo bitter beproefd? Ik koester een slang aan mijn gastvrije haard, dit leed is niet langer te dragen.

(stort zich neer op een sofa)

Secretaresse:

Bodemloos is ‘t misverstand in dit ellendig huis. Zij denkt, dat ik Bill bemin. Ha, ha! Die man is nimmer nog door vrouwenlist bezweken, die vesting is door niemand nog bestormd. ‘t Is mevrouw Grobbelvink dat ik wil heten, dat geeft een vast pensioen en A.O.W. erbij. Heil Enschelo, dat zo zijn diensten loont! Maar is de man te vangen? Ziedaar mijn zorg en droefenis. Drie dagen ben ik al bezig en nog geen stap gevorderd. Ik ben ten einde raad.

(stort zich neer op een sofa; tijdens haar aria heeft de Weduwe zich blij half opgericht, evenals de Secretaresse het bij de nu volgende zal doen)

Grobbelvink:

Ik geef het toe: ik ben een makelaar. Hoor ik daarom tot de erotisch onbegaafden? Neen, neen! ook hij kent de drang zich met kleine makelaars te omringen. Te lang was ik alleen. Ik maak wat kleine makelaars (bis). Maar ach, hoe vatten wij dit aan? ik ben een plomp, verlegen man, ik handel in onroerend goed. Ik werk met land, kantoren en percelen. Maar dit is roerend goed.

Weduwe:

(omhelst Secretaresse)

Een loden last is van mijn boezem afgewend. Bill is dus vrij!

Secretaresse:

(omhelst makelaar)

Een steen is mij van ’t hart gevallen. Onroerend makelaar, hier is Uw roerend goed!

Alle drie:

(elkaar omhelzend)

Dit misverstand is opgeruimd, de weg naar Bill ligt open. Ieder van ons is voor eros bezweken, alleen Bill staat nor recht, maar wij zullen zien hoe lang dit nog duurt.

Weduwe:

Zelden...

Secretaresse:

Zelden...



Grobbelvink:

Zelden...

Allen:

Is een laatste bedrijf zo hoopvol ingezet!

(Wilde macabere muziek, spookachtige geluiden. De makelaar en de secretaresse stuiven ontzet af. De weduwe blijft midden op het toneel achter)

Weduwe:

(onder het zingen telkens voor een passerend spook achteruit deinzend)

Afschuwelijk is dit leven! Reeds weken word ik door verschijningen geteisterd. eerst loerden zij door ‘t raam en tikten op de ruiten, nu zweven zij al dwars door mijn vertrekken. Steeds driester wordt hun moed.

(schenkt zich een glas water in)

Schenk ik wat water in, om van de schrik te bekomen, het wordt mij eenvoudigweg ontnomen

(een geest ontneemt haar het glas)

En wat nog erger is: De prijs van het kasteel, die tuimelt met de dag. Nog een week langer spoken en ik kan ‘t voor sloop verkopen. Had ik een man in huis, die mij oprecht beminde, hij zou er wat op vinden. Wat kan een vrouw alleen? Komaan, een borrel nog.

(schenkt zich een glaasje in, een andere geest ontneemt haar dit en zweeft naar de deur, waar hij Bill tegenkomt)

Bill:

(onder het binnentreden het glaasje terloops overnemend en dit uitdrinkend)

Wat staat gij daar bedroeft? Waarom zo neergeslagen? Komaan, mevrouw, ‘t is borreltijd, het hoofd omhoog, geniet van ‘s levens vreugden.

(behandelt nu verder de rondwarende spoken alsof het bedienden zijn, door hun achteloos met zijn jas, hoed en handschoenen te belasten)

Een vrouw zo fraai ontworpen en zo verrassend uitgevoerd mist eigenlijk het recht gedrukt te zijn.

Weduwe:

Wat zegt gij daar? Gij vindt mij schoon?


Bill:

(terzijde)

Mijn hemel! Wat is mij daar ontvallen?

Weduwe:

Wat hoorde ik? Fraai ontworpen? Verrassend uitgevoerd?

Bill:

(terzijde)

Spoken vrees ik niet. Nu echter sidder ik.

Weduwe:

Kan ik mijn oren geloven? Wankelt de grote Bill Clifford?

Bill:

(terzijde)

Te laat, te laat! Het spookt hier inderdaad!

Weduwe:

Meent gij dit waarlijk, Bill? Mag ik Uw woord vertrouwen?

Bill:

Mevrouw, ik bedoelde het ballet....

Weduwe:

Ballet?

Bill:

Ballet.

Weduwe

Hoezo?

Bill:

Ziedaar.

(ontneemt twee of meer leden van het ballet hun vermomming, waarbij een agent in uniform en een ambtenaar met bolhoed te voorschijn komen)

Grobbelvink:

(eveneens het laken van zich afwerpend)

Wat nu? Wij staan voor aap.

Bill:

Ik had geen keus.

Grobbelvink:

Gij hebt ons plan bedorven! Dit scheelt de gemeente een ton.

Bill:

Ik moest. Anders was ik ingemaakt in het vat van het huwelijk.

Grobbelvink:

Een ton!

Bill:

Het vat!

Weduwe:

(werpt zich wederom in zijn armen)

Gij hebt mij gered! Dat scheelt mij een ton!

Grobbelvink:

Ha, ha! Wat in het vat zit, verzuurt niet!

Weduwe:

(Bill omhelzend)

Een ton!

Grobbelvink:

(spottend wijzend)

Het vat!

Inspecteur:

Wat zie ik? De grote Bill gevangen? Dat is nog nooit gebeurd. Hoe is dit te bevatten?

Grobbelvink:

In ‘t vat!

Inspecteur:

Een speurder opgespoord! Da’s tegen de bon ton!

Weduwe:

Bon ton!

Inspecteur:

Bon ton!

Weduwe:

Bon ton!

Secretaresse:

(loopt op Grobbelvink toe en samen naar Bill)

Wat kan een ton ons schelen, als Amor ons verblijdt.

Bill:

Ik kan mij niet verhelen, dat dit mij geenszins spijt.

Agenten:

Borst uit, borst in, in jubelende zangen, want eindelijk is Bill, is Bill dan toch gevangen! Ha, ha, ha, ha!

Weduwe:

(komt binnen met gevuld theeblad)

‘t Is uit met sterke drank, van nu af wordt het thee.

Agenten:

Ha, ha, ha, ha!

Weduwe:

Thee, thee, thee, thee!

Grobbelvink:

Thee (met afschuw)

Secretaresse:

Ha! (blij)

Bill:

Thee (berustend)

Inspecteur:

Ha! (met leedvermaak)

Bill:

T.H.!

Allen:

T.H.!

------------------------------------------

Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab