Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab

GODFRIED BOMANS: DE MUZIEKSTUKKEN

DE COMPONIST GODFRIED BOMANS

Hero Wouters


Dat Godfried Bomans behalve schrijver ook nog eens componist was, is helaas vrijwel onbekend gebleven. Zijn nagelaten muzikale manuscripten zijn ook slechts weinige in getal: vier liederen voor zang à capella, drie liederen voor zang en piano, één lied voor vijf stemmen en een ‘unvollendete’ opzet voor wederom zang en piano. Toch had hij, zoals hij optekende in zijn schoolschriftjes, het liefst componist willen worden, en daarna pas schrijver.

Is de aanduiding ‘componist’ voor Bomans niet wat erg overdreven? Neen. Want, om maar eens op Erik of Het klein Insectenboek terug te grijpen:


‘Is men het, ‘ vervolgde mevrouw, ‘dan is men het ook, maar is men het niet, welnu, dan is men het ook niet.
‘En wordt men het ook niet,’ voegde haar man er aan toe.
‘En wordt men het ook niet,’ herhaalde mevrouw, ‘wat men ook doet en wat men ook probeert. Terwijl, als men het is, men ook gerust kan zijn, want men is het.’
‘En blijft het ook,’ meende haar man.
‘En blijft het ook,’ bevestigde mevrouw, ‘wat men ook doet en wat er ook gebeurt.’ (Bomans’ Werken deel I pagina 313, oftewel WI:313).


En Bomans was het: hij kon het componeren niet laten, hetgeen meteen duidelijk wordt wanneer men zijn teksten vanuit een muzikaal perspectief beziet. Het bovenstaande citaat met zijn indringende herhalingen is natuurlijk een mooi voorbeeld.

De muzikale manuscripten werden alle (met uitzondering van één versie van het Salve, Regina) door de bezorgster der Bomans’ Werken mevrouw Annemarie Feilzer - August de Meijer ontdekt tijdens het doorvorsen van de door de Erven Bomans ten behoeve van de Werken opengestelde Bomans’ nalatenschap. Dit wilde echter nog niet zeggen, dat de stukken ook direct uitvoerbaar bleken.

In zijn algemeenheid moet men stellen, dat Bomans zich aan een nauw-keurige notatie weinig gelegen heeft laten liggen. Dit blijkt uit zijn slordig gebruik van verhogings- en verlagingstekens (kruizen en mollen) en het vrijwel geheel ontbreken van dynamische aanwijzingen (wisselingen in volume). Verbindingsbogen treffen we slechts op één plek (in het Salve, Regina) aan. Zijn manuscripten zijn eerder globale dan precieze interpretaties.

Het spelen van bladmuziek is niet hetzelfde als het lezen van een tekst, dit doordat muziek een dwingende tijdsfactor kent. Met andere woorden: wil men een stuk zonder haperen kunnen uitvoeren, dan moet de partituur snel leesbaar zijn. Het bleek dan ook noodzakelijk om de manuscripten bij te werken, waarbij overigens dezelfde gedachtengang werd gevolgd als bij de uitgifte der Werken: de ‘muzikale spelling’ werd zoveel mogelijk gelaten zoals Bomans die hanteerde, en slechts duidelijke fouten of onduidelijk-heden zijn verbeterd.

Dan nu enige notities over de composities zelf, waarbij de chronologische volgorde is aangehouden.




1. Bloed en Liefde (december 1932)

Godfried Bomans schreef op zeventienjarige leeftijd dit onheilspellende drama t.b.v. een opvoering door zijn medeleerlingen van het Triniteits-lyceum; première 26 februari 1933 in de Sint-Jansschouwburg te Haarlem. Het onvolledige manuscript van deze versie uit december 1932 toont, dat het drama in 1937 werd herschreven en uitgegeven door het toneelfonds Ons Leekenspel, waarbij muziek van ene Han van Koert in de plaats kwam van de oorspronkelijke melodieën van de jonge Bomans. In het stuk worden de volgende muzikale fragmenten aangegeven:

Proloog: Proloogzang (1a): hiervoor werd door Bomans uitgegaan van de wijze van de kerkzang Carmen Triste Sanguinis Et Amoris.

Eerste bedrijf: Krijgslied (1b): dient volgens Bomans met gitaarbegeleiding te worden gezongen op de wijze van het indertijd bekende liedje Hoog op de gele wagen.

Eerste bedrijf: de zin Dit wordt een drama (1a), identiek als in de Proloogzang.
Eerste bedrijf: een lied dat begint met de strofe Ach, Coba, wil toch snel ontwaken (1c): dit is interessanter aangezien we hier wel degelijk met de eerste authentieke Bomanscompositie van doen hebben. Bomans heeft in de Bloed en Liefde-schetsen (potlood op muziekpapier, uitgewerkte composities zijn het zeker niet) geen aandacht besteed aan het invoegen van rust-tekens; deze zijn nu op dusdanige wijze aangebracht, dat er een evenwichtige maatindeling is ontstaan (want ook deze ontbrak gedeeltelijk). Verder zijn voor alle duidelijkheid de twee interrumperende spreekteksten van Jacoba en Amalia in de partituur genoteerd.

Tweede bedrijf: Drinklied (1d): hiervan geeft Bomans slechts de noten van de eerste zin, met de toevoeging: ‘etc.’ Waarschijnlijk dus een voor de spelers bekende melodie, temeer daar hij voor het tweede couplet een variatie op het thema Gebenedijt zijt gij! (tekst Guido Gezelle, muziek J.A.S. van Schaik) aangeeft.

Tweede bedrijf: een lied dat begint met de strofe Leve heer Philips! (1c): aangezien dit qua toonzetting vrijwel identiek is aan het Ach, Coba, werd dit aan deze partituur toegevoegd.

Tweede bedrijf: Minnelied (1e): Een eigen compositie, die twee keer op komische wijze omslaat in de melodie van het bekende Parlez-moi d'Amour. De authentieke gedeelten zijn opgenomen in de speelpartituur.

Derde bedrijf: wederom tweemaal de zin Dit wordt een drama (1a).




2. Salve, Regina (ca.1934)

De afgebeelde partituur is gebaseerd op twee manuscripten, waarvan er een (waarschijnlijk de eerste versie) tussen de nalatenschap werd aangetroffen. De tweede werd in oktober 1934 (tijdens Bomans’ redacteurschap) gepubliceerd in het katholieke studentenblad De Dijk, jaargang 3 nr. 2 pagina 43 -45, en is bovendien opgenomen in het herdenkingsboek Herinneringen aan Godfried Bomans (Elsevier, mei 1972). Deze partituur bestaat uit drie bladen, waarvan het origineel van het derde eveneens werd teruggevonden. Belangrijkste verschil tussen de twee versies is het tussenspel van de piano.

Onduidelijk is de notatie van het pedaal: na enige maten volgt de vage aanduiding ‘ped sim.’, oftewel: zo verder. Dit kan echter gezien de structuur der compositie niet worden volgehouden, zodat op het gevoel enige verschuivingen moesten worden aangebracht. In de marges van de eerste partituur (inkt plus inkt over potlood) de volgende aantekeningen:

Berkenrode, Heerenweg 133 - Heemstede.
o, ‘t ruischen van het ranke riet
De oude boom (2x)
De Studen
De Studenten Vereeniging Sanctus Thomas Aquinas. Amsterdam
Europa (5x)
Salve Regina & Dies Irae. Thomas van Celano plm 1250 prachtig vertaald door Guido Gezelle.
Guido Gezelle (2x)
Jef J Jef Last
Johan Plevier Aerdenhout Heemstede
Huub vd Grinters. Brabant

Deze goed uitgewerkte compositie zou worden uitgevoerd tijdens de mis die Jan Bomans een paar maanden na de dood van Godfried liet celebreren in de St. Bavo, hetgeen helaas door ziekte werd verhinderd.

Luister naar het Salve, Regina.


3. Frühlingslied (9 januari 1938)

Een liefdes-lentelied opgedragen aan zijn ’Catharina Dorre’ Ella J. (Jansen) te Amsterdam. Let ook op de bijgevoegde op het manuscript (inkt op muziekpapier) aangetroffen notities. Gecorrigeerd werd de onlogische keuze om vier kruizen aan te geven (op C, D, F, G) en daarnaast mollen toe te passen in situaties, waarin dit dankzij deze kruizen in het geheel niet nodig is: b.v. een Es i.p.v. een Dis, en een verlaagde C i.p.v. een B. Verder wederom een uitgewerkte globale ‘pedaal’ aanduiding. Naderhand troffen wij tot onze opluchting een identieke pedaalbehandeling door Bomans zelf aan in zijn Abendglühen (zie verder).

4. Geburts-Ode (16 januari 1938)

De Duitse titel laat zich verklaren door zijn voorliefde voor Goethe. Prinses Beatrix zou twee weken later worden geboren. Kruizen en mollen werden gecorrigeerd. Inkt op muziekpapier.




5. Driekoningenlied (1942)

Een met opzet eenvoudige ‘monodie’, aangezien het liedje door jonge kin-deren dient te worden gezongen. In tegenstelling tot de oorspronkelijke uitgave in De nieuwe Kerststal van den Pastoor (Bussum: Ons Leekenspel, ca. december 1942) is de partituur hier geheel uitgeschreven.

Bij controle met de tekst van WII:814 kwam een grappige fout aan het licht: bij de oorspronkelijke uitgave is een koppelteken weggevallen, zodat in plaats van ‘Wij hebben heel geen woningen, wij volgen de ster’, jarenlang door iedereen ‘Wij hebben heel geen woning en wij volgen de ster’ is ge-zongen.




6. Ik ken een klein, klein Eden (9 en 10 augustus 1943)

Het is opvallend om te zien hoe Bomans zich als componist ontwikkeld heeft vanaf de persiflages van Bloed en Liefde tot aan dit ingetogen prachtlied. Het werd geschreven ter gelegenheid van ‘het plechtig Lof en eerste H. Mis van den zoon der parochie: pater Joannes Baptista Bomans van de orde der Trappisten te Zundert’, zoals wordt vermeld op een kerkblaadje. Ook de bovenstaande datum treft men hier op aan.

Van de oorspronkelijke 5 (?) zangpartijen die werden vertolkt door het jongenskoor van de Sint Bavo zijn er slechts twee teruggevonden (potlood). Daarnaast kwam er gelukkig nog een piano-bewerking boven water, opgetekend door C.F.J.W. Wijsmuller n.a.v. ‘pianospel thuis door G B’ (inkt op muziekpapier). De twee zangpartijen bleken min of meer parallel te lopen aan deze pianopartituur, maar maakten gebruik van een andere maat-indeling (alles 4-kwart, tegen 2-, 4- en 5-kwart). Verder moesten de twee manuscripten een tel ten opzichte van elkaar verschoven worden, en heeft Bomans in zijn zangversie gekozen voor een aantal andere harmonieën. Doordat de pianopartituur korter is (het afwijkende laatste coupletdeel ontbreekt en kon dus slechts gedeeltelijk achterhaald worden), lijkt de opvatting gerechtvaardigd dat het hier de eerste versie betreft.

Door de noten van de twee zangpartijen aan de pianoversie te onttrekken, konden de melodielijnen van de resterende drie partijen worden vastgesteld. Met dit voorbehoud, dat er over 76,38 % van de compositie absolute zekerheid bestaat, terwijl de rest welliswaar noot voor noot logisch uit de partituren volgt, doch niet noodzakelijk behoeft te kloppen met Bomans' eindversie. Zo blijft het een probleem dat het stuk is geschreven voor een jongenskoor, terwijl de zetting van de uit de pianopartituur volgende stemmen hiermee niet in overeenstemming is.




7. Lentegedicht (22 april 1945)

Onvoltooid, en weergegeven voor zover de bedoeling te reconstrueren was. Teruggevonden werd de tekst, met boven een gedeelte van de woorden de alfabetisch genoteerde nootwaarden. Daarnaast een fragment met vier uit-geschreven maten (potlood op muziekpapier), waarvan slechts twee met de pianobegeleiding. Hierbij wordt overigens van vier bessen naar slechts één overgeschakeld.

Als verklaring voor de ‘vrijheidstekst’ en het niet afmaken der compositie werd een dagboeknotitie van dezelfde datum toegevoegd.

NB:

Tijdens het schrijven van dit artikel was de door Bomans in The First Edition beschreven en door hem samen met Erna Spoorenberg opgenomen 78-toerenplaat nog niet opgedoken. De twee opnamen hierop zijn uitgebracht op de dubbel-cd Erna Spoorenberg - Legendary Voices, Decca 466 985-2 en zijn respectievelijk De Ooievaar en Lentelied, de eindversie van het Lentelied. Een poging om het in eerste instantie incomplete lied te reconstrueren kunt U beluisteren op de cd Overbodige Zondagmiddag 10 - De Godfried Bomans Orde - COM records 18, tezamen met de overige Bomansliederen.




8. Abendglühen (improvisatie, opgenomen in het Minerva-paviljoen te Amsterdam op 23 juli 1960)

Genoteerd vanaf de grammofoonplaat Sonneveld + Bomans, uitgebracht in 1962, waarop Bomans een geborneerde componist (!) speelt, die wordt geïnterviewd door een dommige Wim Sonneveld. Bomans spreekt hier over zijn ‘76ste symfonie’ met de gevoelige titel Abendglühen.

De eerste twee motieven worden door Bomans ter beoordeling aan Sonneveld voorgelegd. De motieven drie en vier worden op verzoek van Bomans door Sonneveld aangegeven, en daarna door Bomans uitgewerkt. Bedenkt Sonneveld deze motieven ter plekke, of is hierover van tevoren iets af ge-sproken? Het laatste fragment wordt op de plaat plotseling afgebroken (geknipt) en is dus langer op de oorspronkelijke opname.

Interessant is de atonaal aflopende toonreeks in het derde motief, hetgeen verrassend aansluit op een opmerking van Wouter Paap in zijn Godfried Bomans en de Muziek (het herdenkingsboek uit 1972):

‘Voor samenklanken was Godfried uiterst sensibel. Dat merkte men ook, wanneer hij voor zichzelf zo eens wat aan de piano zat te improviseren. Hij spon dan meestal voort op een zo juist gespeelde passage, waar hij allerlei zelfverzonnen wendingen aan gaf. Als vakmusicus stond men er dan van te kijken wat hij daar voor onverwachte, en toch uit de muzikale context logisch voortvloeiende harmonieën uit vermocht voort te toveren.’

Bomans zegt zelf over de voornoemde reeks tegen Sonneveld:

‘Kijk, U dacht dat dat vals was! En meneer Sonneveld, daar kan ik me nou zo levendig in verplaatsen, nietwaar! Want wat ik gespeeld heb is in het 31-toonsoort, dus dat zijn ‘tussennoten’.’

Hij verwijst hier naar een andere indeling van het toetsenbord, nl. de op Nicola Vincentino gebaseerde door Christaan Huygens voorgestelde in-deling van het octaaf in 31 tonen die op een normale piano natuurlijk niet realiseerbaar is. Het enige dusdanig geconstrueerde instrument in Neder-land bevindt zich te... Haarlem, en wel in het Teylers Museum: het 31-toonsorgel van Adriaan Daniël Fokker, waarop eens per maand werd gemusiceerd. Bomans zal er ongetwijfeld mee bekend zijn geweest.

Het grappige van de vierde improvisatie tenslotte zit hem hier in, dat Bomans op volstrekt overdreven gevoelige wijze van het Sonneveld-motief iets maakt dat iedereen zeer bekend in de oren klinkt.




9. Twee fragmenten (datering onbekend)

Bij het eerste (potlood op muziekpapier) is door het ontbreken van maat-indeling en nootlengten slechts bij benadering aan te geven hoe de noten onder elkaar behoren te staan. Of Bomans hier zelf heeft gecomponeerd of dat hij een poging heeft gedaan om een al bekend muziekfragment te noteren, is niet duidelijk.

Het tweede fragment (inkt op muziekpapier) maakt deel uit van een uitgebreider werk, hetgeen goed te zien is aan de lege maten van het begin. Uit de verbindingen tussen de noten is af te leiden, dat het hier mogelijk een zangpartij zonder de begeleidende partij (en) betreft.


Hoewel Bomans altijd is blijven pianospelen, en als improvisator zelfs enige faam genoot, stamt het laatste gedateerde muziekmanuscript van april 1945. Toen de bevrijding was gekomen voelde hij zich klaarblijkelijk ontslagen van de druk om zijn muzikale inspiraties vast te leggen.

Maar de band tussen Bomans en het componeren bleef. Ten eerste via de verklanking van zijn teksten door anderen, waarbij we natuurlijk het eerst denken aan de samenwerking met zijn vriend en collega-componist Jan Mul (de komische opera Bill Clifford, opgevoerd op de Technische Hogeschool Twente op 5 oktober 1964). Maar de betrokkenheid van Bomans bij het componistschap blijkt ook uit vele passages in zijn literair werk (een paar opvallende: Erik of Het klein insectenboek WI:382, en De avonturen van Bill Clifford WIII:566 en 586).

Het valt te betreuren, dat Bomans zich op zuiver compositorisch gebied niet verder heeft willen profileren. Maar misschien was dit voor hem ook wel niet noodzakelijk. Immers, wie zijn taalkunst beziet kan niet anders concluderen, dan dat Bomans als componist nooit verloren is gegaan. Dat hij voor ons zal blijven voortleven als een waarlijk groot schrijver komt, omdat hij er als een der weinigen in is geslaagd iets belangrijks aan de Nederlandse taal toe te voegen. En niet alleen de onvervangbare humor, en de originaliteit en spiritualiteit van inhoud en vormgeving dragen hieraan bij, maar zeker ook zijn muzikaliteit. De afgebeelde partituren werpen juist op deze kant van de veelzijdige Godfried Bomans een verhelderend licht.

Tot slot laten wij hem over deze interessante materie zelf aan het woord, en wel via een tweede citaat uit Erik (WI:383):



‘O, het is niets,’ hernam de mier, met een berustenden glimlach, ‘later, als je dood bent, begint men het te begrijpen. Nu nog niet. Men is er nog niet rijp voor.’
‘Waar is men eigenlijk nog niet rijp voor?’ vroeg Erik eerbiedig.
‘Voor mijn muziek. Het blijft weer onder ons, meneer Pinksterblom, maar het gaat boven hun pet. Ze dóen wel alsof ze het begrijpen, maar ze begrijpen het niet.’ De musicus schudde het hoofd en glimlachte treurig.
‘Ach, dat is naar,’ zei Erik, ‘en hebt U al veel van die onbegrijpelijke muziek gemaakt?’
‘Niet veel, maar wel diepe,’ sprak de kunstenaar, ‘en het zit hem ook niet in het vele, maar in het diepe.’

Dit artikel werd eerder gepubliceerd als "Godfried Bomans - Werken - De muziekstukken" een uitgave van het Godfried Bomans Genootschap als aanvulling op de Werken, 1997. De hier besproken muziek is te horen op de cd Overbodige Zondagmiddag 10 - De Godfried Bomans Orde - Com records 18.

Godfried Bomans Orde Misverstanden Bomans-jaartelling Orde-archief Contact
Variaties Muziekstukken

Bill Clifford

CD's

Nieuws Reacties COMlab